Uitgelicht

Beleggers en bedrijven naar dialoog duurzaamheid

De relatie tussen aandeelhouders en beursgenoteerde ondernemingen is veelbesproken. Lang voor maatschappelijke kritiek die ontstond tijdens de financiële crisis, was er al veel ergernis hoe aandeelhouders probeerden hun vaak op de korte termijn gerichte belang te laten voorgaan boven andere stakeholders

Betrokkenheid is medicijn tegen activisme en slecht bestuur

De kwaliteit van de governance van financiële en beursondernemingen staat sinds de financiële crisis weer volop in de maatschappelijke discussie, en terecht. De commissie de Wit en de Europese Commissie hebben in hun rapporten geen enkel heilig huisje gespaard en hun twijfels geuit over de deskundigheid van bestuurders en commissarissen, de kritische blik van accountants, de effectiviteit van governancecodes en de rol stemadviesbureaus, Zij hebben alle mogelijke factoren die van invloed zijn op de kwaliteit van het ondernemingsbestuur kritisch bekeken. Ook de institutionele belegger werd aangesproken op zijn rol in de crisis. Zij hebben de handschoen opgepakt om hun eigen governance te verbeteren. Dat heeft in het Verenigd Koninkrijk geleid tot een stewardship code. In Nederland heeft Eumedion begin deze maand de zogenoemde Best Practices geïntroduceerd.

Aandeelhouderswaarde van de accountant

Op 8 september werd onder leiding van publicist en hoogleraar Journalistiek Jeroen Smit een seminar gehouden over de aandeelhouderswaarde van de accountant. De samenleving en andere stakeholders zoals de grote beleggers verwachten veel meer van de accountants, dan zij tot voor kort als hun taak zagen. Maar met het Plan van Aanpak heeft de accountant de rol van Poortwachter op zich genomen. Het debat bij NBA in Amsterdam ging in de op de vraag of die rol de aandeelhouderswaarde van de accountant en daarmee van de onderneming die hij controleert verhoogt.

10 jaar AFM-toezicht op openbare biedingen

11-11-2011

Gisteren organiseerde de Autoriteit Financiële Markten (AFM) een feestelijk seminar in verband met de tiende verjaardag van het publieke toezicht op openbare biedingen. Op 5 september 2001 trad namelijk de Wet openbare biedingen op effecten in werking. De regels voor overnames van Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen waren niet langer opgenomen in een code, maar in harde wetgeving. De handhaving van de regels ging over van een zelfregulerend orgaan van de Sociaal-Economische Raad (SER) naar de publieke toezichthouder AFM. De verhardende praktijken op de Nederlandse overnamemarkt waren een belangrijke drijfveer voor de wettelijke inkadering van de biedingsregels. De ervaringen in afgelopen tien jaar hebben laten zien dat deze principiële keus terecht was. Minder gelukkig – met de wijsheid van nu – was het besluit van de wetgever om de SER-fusiegedragsregels eerst één op één in de effectenwetgeving op te nemen, om pas daarna een inhoudelijke discussie te voeren over een modernisering van de biedingsregels. Dit besluit zorgde er weliswaar voor dat de wettelijke regulering van het overnameproces en de introductie van het publieke toezicht relatief snel konden verlopen (hoewel het wetgevingsproces nog wel ongeveer twee jaar in beslag nam), maar dat tegelijkertijd in Nederland wettelijke biedingsregels werden ingevoerd die misschien geschikt waren voor overnameprocessen in de 20ste eeuw, maar duidelijk tekort schoten voor die in de 21ste eeuw. Daarbij kwam dat het nog tot eind oktober 2007 zou duren – derhalve ruim zes jaar na de aankondiging – voordat de biedingsregels daadwerkelijk werden gemoderniseerd en enigszins in de pas zouden gaan lopen met de eisen van de moderne tijd.  

Na de verankering in de wetgeving kwam snel aan het licht dat de oude biedingsregels kraakten en schuurden en de AFM moeilijk die geloofwaardigheid als toezichthouder kon opbouwen die wel nodig was. Nederland kreeg te maken met een aantal spraakmakende overnames, die ook de internationale pers haalden. De overnames van achtereenvolgens PinkRoccade, VNU, Stork en ABN Amro maakten duidelijk dat de biedingsregels op onderdelen niet meer aansloten op de veranderde en meer geïnternationaliseerde overnamemethoden. De Stork-casus maakte duidelijk dat een verplicht bod in Nederland node werd gemist. De chaotische strijd om PinkRoccade en de strijd om ABN Amro maakten duidelijk dat er te weinig regels waren voor het proces van concurrerende biedingen. En in de strijd om VNU, ABN Amro en Stork werd duidelijk dat in de Nederlandse wetgeving te weinig regels waren opgenomen over de voorfase van een openbaar bod: sommige partijen speculeerden in het openbaar over een mogelijk bod, en in sommige gevallen werd zelfs een prijs genoemd, maar het duurde soms heel lang voordat het bod officieel werd uitgebracht en in sommige gevallen werd in het geheel geen formeel bod uitgebracht. De AFM wilde misschien wel ingrijpen, maar kon dat op grond van de wettelijke biedingsregels niet. Dit alles was fnuikend voor het internationale aanzien van de Nederlandse overnamemarkt en, belangrijker nog, ging ten koste van de positie van de onderneming, de meeste aandeelhouders en andere belanghebbenden zoals de werknemers. De roep van politici en betrokkenen werd in 2007 steeds luider om een ‘overnamepanel’ of ‘marktmeester’ op te richten die naar Brits voorbeeld snel, adequaat en flexibel zou kunnen handelen. De bedenkers van dit idee gingen er gemakshalve aan voorbij dat Nederland dan weer zou terugkeren naar een vorm van zelfregulering waarvan in het begin van dit millennium werd geconcludeerd dat dit niet meer paste bij de verharding van de praktijken op de overnamemarkt. Gelukkig heeft de minister van Financiën deze oproep weerstaan en zich geconcentreerd op een verdere modernisering van de biedingsregels en op een verruiming van de bevoegdheden van de AFM in plaats van het installeren van een nieuwe toezichtslaag.

Na de inwerkingtreding van de gemoderniseerde biedingsregels is de Nederlandse overnamemarkt, mede door de financiële crisis, in rustiger vaarwater gekomen en heeft de AFM als toezichthouder op overnames aan haar geloofwaardigheid en slagvaardigheid kunnen bouwen. De kalmte op de overnamemarkt dient te worden benut om de moderniseringsslag te voltooien en de wetgever werkt daar ook hard aan. Met de invoering van regels om creeping takeovers tegen te gaan, hidden ownership transparant te maken en potentiële bieders sneller kleur te laten bekennen (put up or shut up) neemt zij de lessen uit recente buitenlandse overnameaffaires goed en tijdig ter harte. Hopelijk wordt deze politiek van ‘voorkomen is beter dan genezen’ de komende tien jaar gecontinueerd en is de valse start van de wettelijke regulering van het overnameproces bij het verschijnen van de volgende decenniumbundel helemaal vergeten.